Henk Potters



Voor Henk Potters (Oisterwijk 1924 – 2003) is schilderen van jongs af zijn hartsverlangen geweest. Zonder beurs, zonder toelage ging hij tegen alle bezwaren en moeilijkheden in, studeren aan de academies in Tilburg en Breda (1941-1948), alles aanpakkend om intussen aan de kost te komen.

Later, eenmaal getrouwd, begon hij om den brode ook te experimenteren met keramiek. Zijn pottenbakkerij nam een geweldige vlucht en met de daaruit voortvloeiende opdrachten voor grote keramische wand- of gevelversieringen eiste zij hem zo volledig op, dat hij jarenlang aan schilderen niet meer toekwam, er alleen van dromen en naar hunkeren kon.

Toen hij eindelijk weer tijd daarvoor kreeg, bleek hoezeer hij in die jaren van niet kunnen schilderen en er naar verlangen gerijpt was.Terwijl het heel ander werk werd dan zijn keramiek, verried het in zijn kleurengamma, zijn krachtige toets, de monumentale opbouw met de vaart en stuwing van machtige contouren de innige verwantschap daarmee. Zijn tekenen en schilderen had zich altijd al gekenmerkt door eenvoud en strakheid. En in de klei kòn dat niet anders. Dat materiaal vraagt om klaarheid van vorm en ritme, beperking en raffinement in de kleurcombinaties.

''Van toen af is het gaan groeien’, zegt hijzelf. Het streven om de elementen, waar uit een landschap, stilleven of interieur is opgebouwd, terug te brengen tot hun eenvoudigste vormen in een ritme van horizontale en verticale accenten en zo door te dringen tot de kern, de ziel ervan. Sindsdien is zijn werk door voortgaande vereen vooruitging tot steeds groter intensiteit en zeggingskracht gekomen. Henk Potters bereikt in een strakke, doelbewuste opbouw een sterke, emotionele werking.

Het zijn schilderijen die van binnenuit komen, uit de veelheid van indrukken en gevoelens die hij buiten op deed. Schilderijen die iets te vertellen hebben over de schoonheid van het licht, het grootste van de natuur, het landschap en de seizoenen, het verlangen of de kwetsbaarheid van mensen, hun vreugden en verdriet. Hemel en aarde, vrijwel zonder details en toch sprekend van eeuwigheid, eindeloze ruimte, harmonie en bevrijding. Het schildersverlangen om het vergankelijke vast te houden, te bezingen en te doorgronden, gepaard aan een eeuwigheidsbesef en die twee met elkaar verzoend.

Iedere maal een gevecht. Als hij het naar zijn gevoel niet gehaald heeft, dan schildert hij zo’n doek weer onder. Maar anders raakt het nooit uitverteld aan mensen die er verliefd op werden en het verwierven, wier kamer hun kamer niet meer zou zijn, als het er niet meer hing om van te genieten.

Geschreven door Rogier van Aerde.